Interview 'Alles om de docent te ontlasten'

18 mei 2015

Waar geven scholen eigenlijk hun geld aan uit? En welke keuzes maken ze? Peter Groos, voorzitter van de centrale directie LVO Heuvelland geeft inzicht in zijn dilemma’s in een interview met Dagblad De Limburger.

Elk jaar in maart/april begint Peter Groos te rekenen. Hoeveel nieuwe aanmeldingen van brugklassers zijn er? Voor welke niveaus? Het aantal leerlingen bepaalt immers de hoeveelheid geld die een school krijgt. Hoeveel docenten heeft hij dan nodig en voor welke vakken?

Peter Groos is voorzitter van de centrale directie LVO Heuvelland. Het Stella Maris College in Meerssen en Valkenburg en het Sophianum in Gulpen en Nijswiller vallen onder zijn verantwoordelijkheid.

Onlangs deed Beter Onderwijs Nederland onderzoek naar de lumpsum, het vrij te besteden bedrag, van scholen en kwam tot de conclusie dat drie van de vier scholen minder docenten in dienst heeft dan waarvoor ze betaald krijgt. Het geld zou vooral op gaan aan ondersteunend personeel: de conciërge, de lesassistent, de leerlingbegeleider en de maatschappelijk ondersteuner.

Peter Groos zegt dat ongeveer 80 procent van het geld dat hij binnenkrijgt voor zijn scholen wordt uitgegeven aan docenten, zo’n 12 tot 15 procent gaat naar het ondersteunend onderwijzend personeel en ongeveer 7 tot 8 procent wordt uitgegeven aan de directie.

Groos rekent voor: ,,een docent die fulltime werkt, geeft 25 uur les, want daarnaast heeft hij tijd nodig om de lessen voor te bereiden, proefwerken na te kijken en andere taken, zoals bijvoorbeeld het mentorschap. Twintig leerlingen in de klas staan voor het salaris van één fte. Zo’n klas heeft per week ongeveer 33 lesuren. Dat betekent al minstens 1,3 fte aan docent inzet. Wil je daarnaast nog extra taken, dan moet je dus de klassen groter maken. 32 kinderen in één klas is wel het maximum, in principe.’’

Hij kent de kritiek dat directies veel geld kosten. ,,Maar ik zeg: de helft van wat jaren geleden gebruikelijk was. Toen hadden we voor de twee scholen van LVO Heuvelland een rector, een plaatsvervangend rector en tien of elf conrectoren. Nu hebben we twee centrale directieleden en drie locatiedirecteuren. Formeel is het de helft van wat we aan mogen nemen.’’ 

Lees het hele artikel in Dagblad De Limburger, 18 mei 2015

< Terug naar nieuwsoverzicht