Blog: Aon de geng!

14 april 2015

Collegevoorzitter André Postema over zijn visie op het onderwijs, opvallende observaties en dilemma's.

undefinedAl snel na mijn start als voorzitter van het Limburgs Voortgezet Onderwijs in november 2014 werden mij twee dingen duidelijk. In de eerste plaats zal de kwaliteit van het onderwijs van onze scholen en de waardering daarvan door leerlingen en ouders bij elke discussie en bij iedere maatregel voorop moeten staan. Leerlingen, docenten en schoolleiders mogen dat van een college van bestuur verwachten. En in de tweede plaats is de weg naar een verdere versterking van de onderwijskwaliteit en de waardering daarvan niet van bovenaf te dicteren. Top down besturen werkt zelden bij organisaties van professionals en dit lijkt mij in het onderwijs nog sterker het geval.

 

Kwaliteit als centrale opdracht en tegelijkertijd een zekere bestuurlijke afstand tot de uitvoering, valt dat te rijmen? Ik meen van wel - juist wel. Het vereist wel dat aan enkele randvoorwaarden wordt voldaan. Voorop staat dat er duidelijkheid en overeenstemming moet bestaan over wat we nu eigenlijk onder onderwijskwaliteit verstaan. Dat blijkt nog niet zo gemakkelijk - niet in de vakliteratuur en ook niet binnen LVO. Zo is de LVO Beleidsvisie 2013-2017 inspirerend, met een focus op uitstekend onderwijs en onderwijsinnovatie. Maar over de kenmerken van dit "uitstekend onderwijs" biedt de visie weinig aanknopingspunten en over de wijze waarop "onderwijsinnovatie" daar al dan niet toe bijdraagt evenmin. Dat hoeft niet erg te zijn, zolang niet wordt vergeten die stap alsnog te maken.

En dat zijn we nu aan het doen. Door de doelstellingen van de Beleidsvisie te concretiseren, hier indicatoren en streefwaarden bij te benoemen. En door periodiek de voortgang te meten en het hier met elkaar over te hebben. Zo zijn vriend en vijand het er over eens dat succes in het vervolgonderwijs een belangrijke graadmeter is van de kwaliteit van ons middelbaar onderwijs. En dan hebben we het over weinig uitval en switch in het eerste jaar, over het nominaal doorlopen van de vervolgopleiding en uiteraard een succesvolle afronding middels een diploma, bij voorkeur in een vak(gebied) waar de arbeidsmarkt om vraagt. Hoogste tijd dus, dat we dit in kaart gaan brengen. En dat we hier ons voordeel mee gaan doen.

Overeenstemming over hoe hoog we de lat willen leggen als het gaat om onderwijskwaliteit is belangrijk, maar niet meer dan de eerste stap. Een tweede randvoorwaarde is dat vervolgens de scholen - en hierbinnen de teams, vaksecties en individuele docenten - hier verdere handen en voeten aan geven middels gerichte interventies, die aantoonbaar bijdragen aan de gestelde doelen. Dat is doorgaans een aanzienlijk weerbarstiger opgave, omdat zij schuurt met gestolde praktijken, met beperkte middelen, met het corset van wet- en regelgeving. Maar zij kan ook een enorme hoeveelheid energie opleveren, het besef dat het kán, dat samenwerken en samen leren helpt. En als het goed is wordt de hulpvraag manifest: wat hebben we van de schoolleiding, van de centrale directie en van het college van bestuur nodig om de slag te maken?

Wanneer onze scholen bereid en in staat zijn expliciet te zijn over hun invulling van uitstekend onderwijs, dan mag van het bestuur een primair ondersteunende rol worden verwacht. De keerzijde is dat onduidelijke doelen, halfslachtige maatregelen, uitblijvende hulpvragen en achterblijvende prestaties op minder geduld mogen rekenen. Dat klinkt misschien wat onvriendelijk, maar het lijken mij faire spelregels. Ik hoor het graag wanneer ik dit verkeerd zie. En zo niet: aon de geng!

a.postema@stichtinglvo.nl

 

 

 

Eerdere blog: Welkom!

< Terug naar nieuwsoverzicht